Reikwijdte bewijsvermoeden bij niet-nagekomen periodiek verrekenbeding

In een Limburgse kwestie hadden partijen in de huwelijkse voorwaarden iedere gemeenschap van goederen uitgesloten. Ook was er een periodiek verrekenbeding  opgenomen: "Aan het einde van het kalenderjaar voegen partijen ter verdeling bij helfte bijeen hetgeen van hun inkomsten van dat jaar onverteerd is". Op oudejaarsavond hebben partijen nooit samen gezeten om hieraan uitvoering gegeven. De woning waarin partijen tijdens het huwelijk woonden, is eigendom van de vrouw. In 2000 zijn partijen op hun beide namen een hypotheek van EUR 235.965,- aangegaan. Tijdens het huwelijk exploiteerde de vrouw een hotel-pension. In de jaarcijfers van 2001 tot en met 2008 is een meewerkbeloning voor de man opgenomen, variërend van nihil tot EUR 24.000,-. In 2003 zijn partijen gescheiden. 

 

In de procedure vordert de man EUR 133.836,- van de vrouw. Aan deze vordering heeft de man ten grondslag gelegd dat er bij de vrouw sprake is van overgespaarde inkomsten. Deze overgespaarde inkomsten had de vrouw conform de huwelijkse voorwaarden met de man moeten verrekenen. Volgens de man bestaan de overgespaarde inkomsten uit de niet uitgekeerde meewerkvergoedingen en aflossingen op de hypotheek. De vrouw deelt deze mening van de man niet. 

 

Rechtbank:

De rechtbank ziet de niet uitgekeerde meewerkbeloningen en de aflossingen van de hypotheek als overgespaarde inkomsten. Volgens de rechtbank moeten partijen afrekenen over het bij het einde van het huwelijk aanwezige vermogen dat wordt vermoed te zijn gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden. Mogelijk bestond dit vermogen uit deze meewerkvergoedingen, maar de man heeft hierover niets gesteld. Hetzelfde geldt ook voor de aflossingen van de hypotheek. Ook hierover heeft de man niets gesteld. Om die reden heeft de rechtbank de vorderingen van de man afgewezen.

 

Hof:

De man is in hoger beroep gegaan. De man voerde aan dat er een verrekenverplichting is en dat daaraan niet is voldaan. Het hof vond dat de man aan zijn stelplicht heeft voldaan.  De vrouw heeft de stellingen van de man niet genoegzaam weersproken. Ook heeft zij gesteld dat de man heeft nagelaten heeft de waarde van het vermogen inzichtelijk te maken. De vrouw had moeten onderbouwen dat op de peildatum sprake was van vermogensbestanddelen die in waarde zijn afgenomen of van negatieve vermogensbestanddelen. Dit heeft de vrouw niet gedaan. Het hof rekent uit dat op de peildatum sprake was van een overgespaard vermogen van EUR 133.836,-. Dit bedrag komt voor finale verrekening in aanmerking. Op grond van artikel 1:135 BW heeft de man recht op de helft hiervan. 

 

Hoge Raad:

De vrouw gaat in cassatie. Zij vraagt zich af wat de reikwijdte van het bewijsvermoeden ex artikel 1:141 lid 3 BW is. Ziet het bewijsvermoeden alleen op de herkomst van het overgespaarde inkomsten? Of valt hieronder ook de omvang van het te verrekenen vermogen op de peildatum? De Hoge Raad heeft zich over deze vraag gebogen. Deze komt met een handig overzicht van de stelplicht en bewijslast voor situaties waarin een niet-uitgevoerd periodiek verrekenbeding op de voet van artikel 1:141 lid BW wordt afgewikkeld. 

 

Bewijsvermoeden:

Op grond van artikel 1:141 leden 1 en 2 BW wordt een tijdens het huwelijk niet nagekomen periodiek verrekenbeding omgezet in een finaal berekenbeding op de peildatum, zoals bepaald in artikel 1:142 BW.

 

Is er sprake van deze situatie, dan wordt op grond van artikel 1:141 lid 3 BW het op deze peildatum aanwezige vermogen vermoed te zijn gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden, tenzij uit de eisen van redelijkheid en billijkheid in het licht van de aard en omvang van de verrekenplicht anders voortvloeit. Dit bewijsvermoeden brengt mee dat de tot de verrekening gerechtigde echtgenoot in beginsel kan volstaan met te stellen en aannemelijk te maken dat de tot verrekening verplichte echtgenoot op de peildatum bepaalde vermogensbestanddelen heeft. De tot verrekening verplichte echtgenoot moet stellen en zo nodig bewijzen dat het op de peildatum aanwezige vermogen, of bepaalde bestanddelen ervan, niet gevormd is uit hetgeen verrekend had moeten worden. Het bewijsvermoeden heeft dus alleen betrekking op de vraag of het aanwezige vermogen al dan niet gefinancierd is uit hetgeen verrekend had moeten worden. Het te verrekenen vermogen betreft het bij het einde van het huwelijk aanwezige vermogen. Dit vermogen is gevormd uit het door echtgenoten tijdens het huwelijk overgespaard inkomen. Daarbij maakt het niet uit wie van de echtgenoten dat vermogen toebehoort en uit wiens overgespaard inkomen dat vermogen is gevormd. 

 

Gewone regels van stelplicht en bewijslast:

Ten aanzien van de omvang (waarde) van het te verrekenen vermogen op de peildatum gelden de gewone regels voor stelplicht en bewijslast. Dit betekent dat de rechter stellingen van de ene echtgenoot die hierop betrekking hebben en die door de andere echtgenoot niet of niet voldoende zijn betwist, in beginsel als vaststaand moet aannemen (artikel 149 Rv). Worden deze stellingen door de andere echtgenoot voldoende betwist, dan dient de ene echtgenoot in beginsel de juistheid van zijn stellingen te bewijzen. 

 

In dit verband is van belang dat de echtgenoten jegens elkaar verplicht zijn om tot beschrijving van het vermogen over te gaan op grond van artikel 1:141 lid 3 jo. artikel 1:143 lid 2 BW. Alsdan kan ingevolge artikel 679 Rv een deskundige worden benoemd om de waarde van bepaalde goederen te schatten. 

 

Moraal van het verhaal:

Is in uw akte van huwelijkse voorwaarden een periodiek verrekenbeding opgenomen? Dan adviseren wij u om hieraan uitvoering te geven. Zorg ervoor dat er tijdens het huwelijk een goede administratie wordt bijgehouden. Dit voorkomt bewijsproblemen als u gaat scheiden. 

 

Als u vragen heeft over echtscheiding en de afwikkeling van huwelijkse voorwaarden, dan kunt u met ons kantoor contact opnemen. Wij plannen graag een koffiemomentje met u in.  

 

Bron: Hoge Raad 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:637

Foto: Pixabay